Vestiging proefdierfokkerij InnoSer

Vorige week vernamen de Partij voor de Dieren en GroenLinks uit de media dat het bedrijf InnoSer zich heeft gevestigd, of zich gaat vestigen op het Bio Science Park Leiden, in het pand van TNO aan de Zernickedreef. InnoSer heeft een landelijke vergunning om dierproeven te doen en genetisch gemanipuleerde dieren fokken. In aanvulling op de schriftelijke vragen van de SP willen wij u het volgende voorleggen.

1. Klopt het dat dit bedrijf zich inmiddels heeft gevestigd aan de Zernickedreef?

2. Was deze (voorgenomen) vestiging bekend bij de gemeente? Zo ja, wanneer? Zo nee, op welk moment wordt dan getoetst of een bedrijf zich met life sciences bezighoudt? Welk beleid heeft het Bio Science Park zelf ten aanzien van toetreden van bedrijven?

3. Volgens de begroting 2014 gaf de gemeente in 2014 maar liefst 564.000 euro uit voor het stimuleren van kennisintensieve bedrijvigheid (Programma 3B2.1) Hoeveel hiervan was bestemd voor het Bio Science Park? Is de conclusie juist dat er indirect dus Leids belastinggeld gaat naar dierproeven? Heeft het Bio Science Park dit geld (deels) gebruikt om InnoSer te werven?

4. Deelt het college de mening dat de vestiging van InnoSer staat haaks op de aangenomen motie van PvdD, GL en SP, die oproept om juist bedrijven aan te trekken die alternatieven ontwikkelen voor dierproeven, zodat dit als speerpunt van het BSP internationaal onder de aandacht gebracht kan worden? Deelt het college ook onze mening dat dit een smet is op de reputatie van het Bio Science Park en ongunstig is voor het imago van Leiden, dat immers een innovatie gemeente wil zijn?

5. In aanvulling op de vraag van de SP: welke inspanning heeft het college gepleegd om invulling aan de motie te geven? Welke bedrijven zijn benaderd, wanneer, met welke resultaten?

6. Veel gefokte proefdieren (in 2013 waren dat er ruim een half miljoen) worden niet gebruikt voor proefnemingen, maar voortijdig gedood omdat er geen vraag naar is, en tevens omdat een deel van de gefokte proefdieren niet de juiste genetische eigenschappen heeft om er proeven mee te doen. Hoe zit dat bij de bedrijven in het Bio Science Park?

Er is geen enkele openheid over dierproeven op het Bio Science Park. De vergunninghouders van het Bio Science Park, of het Bio Science Park zelf, zouden naar onze mening de Code Openheid Dierproeven moeten ondertekenen en jaarlijks met een rapportage komen: www.knaw.nl/nl/actueel/publicaties/code-openheid-dierproeven

7. Bent u van mening dat openheid en transparantie over dierproeven belangrijk is omdat hiermee ook een plan van aanpak ontwikkeld kan worden om dierproeven terug te dringen? Bent u van plan hierover het gesprek aan te gaan met het Bio Science Park?

Aan het nemen van dierproeven kleven tal van ethische bezwaren. Wij vinden het een vreemde zaak dat de commissie wel uitgebreid spreekt over een horecavergunning op de Nieuwe Rijn, maar dat de vestiging van een controversieel bedrijf als een proefdierfokkerij blijkbaar volkomen buiten het college of de raad omgaat. Wij vragen ons af of de gemeenteraad geïnformeerd zou bij worden als het gaat om andere controversiële bedrijven, zoals een bedrijf dat (onderdelen van) wapens produceert of verhandelt, kernergie-technologie ontwikkelt, of handelt in tropisch hardhout?

8. Hoe kijkt het college tegen deze kwestie aan? Is het college bereid tot een debat in de raad of de commissie hierover?

Antwoorden

Vorige week vernamen de Partij voor de Dieren en GroenLinks uit de media dat het bedrijf InnoSer zich heeft gevestigd, of zich gaat vestigen op het Bio Science Park Leiden, in het pand van TNO aan de Zernickedreef. InnoSer heeft een landelijke vergunning om dierproeven te doen en genetisch gemanipuleerde dieren fokken. In aanvulling op de schriftelijke vragen van de SP willen wij u het volgende voorleggen.

1. Klopt het dat dit bedrijf zich inmiddels heeft gevestigd aan de Zernickedreef?

Er is echter geen sprake van een vestiging maar van een overname van een  bestaande faciliteit. Er leven dus kennelijk verkeerde beelden.

2. Was deze (voorgenomen) vestiging bekend bij de gemeente? Zo ja, wanneer? Zo nee, op welk moment wordt dan getoetst of een bedrijf zich met life sciences bezighoudt? Welk beleid heeft het Bio Science Park zelf ten aanzien van toetreden van bedrijven?

De gemeente was bekend dat TNO met verschillende partijen in gesprek was over overname van de dierproeffaciliteit van TNO. De overname door InnoSer werd bij de gemeente bekend via de nieuwsbrief van Leiden Bio Science Park. Toetsing van een bedrijf aan de bestemmingplanregels is niet aan de orde bij overname en voortzetting van een bestaand bedrijf of faciliteit.

3. Volgens de begroting 2014 gaf de gemeente in 2014 maar liefst 564.000 euro uit voor het stimuleren van kennisintensieve bedrijvigheid (Programma 3B2.1) Hoeveel hiervan was bestemd voor het Bio Science Park? Is de conclusie juist dat er indirect dus Leids belastinggeld gaat naar dierproeven? Heeft het Bio Science Park dit geld (deels) gebruikt om InnoSer te werven?

De kennisintensieve bedrijvigheid is gericht op de verdere ontwikkeling en  versterking van het BioScience Park. Dit budget is in 2014 volledig bestemd voor het park. De gemeente Leiden is partner van de Leiden Bio Science Park Foundation (LBSPf). Samen met het LUMC, de Universiteit Leiden en de vereniging van bedrijven op het Bio Sciencepark, waaronder ook weer de Hogeschool Leiden. De structurele bijdrage aan de LBSPf is € 80.000 per jaar. Daarnaast heeft Leiden incidenteel geld uitgetrokken voor het op gang helpen en verder uitrollen van projecten zoals science based starters, een pilot zelfzorg en het bevorderen van acquisitie activiteiten.

Tevens is geld uitgetrokken voor het stimuleren van (kennisinhoudelijke) netwerken op het park. Al deze activiteiten zijn gerelateerd aan het Bio Science Park.

Er gaat op geen enkele wijze Leids belastinggeld naar dierproeven. Het Bio Science Park heeft dit geld niet gebruikt om InnoSer te werven. Het gaat hier om een private ontwikkeling tussen TNO en InnoSer. Er is geen betrokkenheid van LBSP of gemeente geweest in dit proces.

4. Deelt het college de mening dat de vestiging van InnoSer staat haaks op de aangenomen motie van PvdD, GL en SP, die oproept om juist bedrijven aan te trekken die alternatieven ontwikkelen voor dierproeven, zodat dit als speerpunt van het BSP internationaal onder de aandacht gebracht kan worden?

Nee. De motie roept op actief te sturen op het aantrekken van bedrijven die alternatieven ontwikkelen voor dierproeven. Dat doet het college dan ook. De motie roept niet op bedrijven te verbieden die zich nu binnen de landelijke en  internationale regels richten op het testen van de effecten van mogelijk nieuwe medicijnen op dieren.

4A. Deelt het college ook onze mening dat dit een smet is op de reputatie van het Bio Science Park en ongunstig is voor het imago van Leiden, dat immers een innovatie gemeente wil zijn?

Nee. De reputatie van Bio Science Park en het imago van Leiden is op dit punt eerder slachtoffer van een te eenzijdige en onjuiste voorstelling van zaken; Het Bio Science Park is nog een van de laatste clusters waar innovatief geneesmiddelontwikkeling in Nederland wordt gedaan. Geneesmiddelontwikkeling doorloopt een aantal fases voor het product de markt op kan gaan. Voordat het op mensen getest wordt zijn  dierproeven noodzakelijk en wettelijk voorgeschreven.

Miljoenen mensen hebben inmiddels baat (gehad) bij op LBSP ontwikkelde medicijnen. Voor die mensen betekent dat een enorme verbetering van de kwaliteit van hun leven of is het zelfs de reden dat ze nog leven. Het college is er trots op dat in onze stad dit soort onderzoek plaatsvindt en ontdekkingen zijn gedaan die zo  bijdragen aan welzijn en geluk. Bij geneesmiddelenontwikkeling is het testen op dieren wettelijk voorgeschreven. Stoppen met dierproeven, betekent dus ook het stoppen met het ontwikkelen van nieuwe medicijnen voor nu soms ernstig zieke mensen. Het college ziet het ethische dilemma dat we voor het welzijn van mensen proeven doen op dieren. Gelukkig is de inzet van proefdieren zwaar gereguleerd en wordt er ook op LBSP door bedrijven en LUMC gewerkt aan alternatieven.

Daarnaast is het jammer dat een overname en voortzetting van een bestaande proefdierfaciliteit die hier al jaren gevestigd is wordt gepresenteerd als vestiging van een nieuwe faciliteit. Juist de commotie die aldus wordt aangewakkerd is een  beschadiging van Leiden Bio Science Park. Zie ook de beantwoording van de schriftelijke vragen 5 en 6 van de SP.

5. In aanvulling op de vraag van de SP: welke inspanning heeft het college gepleegd om invulling aan de motie te geven? Welke bedrijven zijn benaderd, wanneer, met welke resultaten?

De gemeente heeft de inhoud van de motie met nadruk onder de aandacht van de Leiden Bio Science Park Foundation gebracht aangezien de gemeente de acquisitie van bedrijven voor LBSP bij deze stichting heeft ondergebracht. De gemeente constateert dat LBSPf zich hier zeer constructief in opstelt. Wat betreft het aantrekken van bedrijven die alternatieven ontwikkelen voor dierproeven: de innovatie bij het  vinden van slimme technieken die een vermindering van dierproeven kunnen opleveren, gebeurt vooral bij jonge innovatieve bedrijfjes zoals Pluriomics, Toxys, Mimetas en Biomimic die zich als spin-off van de universiteit en het LUMC op het park vestigen.

De stichting doet er alles aan om deze jonge bedrijven te koesteren en te faciliteren. Het participatiefonds van IQ waaraan ook de gemeente Leiden bijdraagt heeft  onlangs een financiële injectie gegeven aan het Leidse bedrijf Pluriomics dat zich bezighoudt met klinisch onderzoek met hartstamcellen die in een vroege fase  onderzoek kunnen zorgen voor minder dieproeven. Daarnaast ligt er op dit moment een acquisitieplan bij het bestuur van de LBSPf, waarin bedrijven die zich richten op alternatieven genoemd zijn als een categorie waarop de acquisitie zich zal richten.

Verder kijkt LBSPf naar de mogelijkheden om samen met landelijke instanties zoals ZonMw (met het programma “Meer Kennis met Minder Dieren”) aandacht te vragen voor dit onderwerp. Ook wordt het onderwerp onder de aandacht gebracht van de landelijke politiek, zoals 23 januari 2015 toen beleidsmedewerkers van de Tweede  Kamer een bezoek brachten aan LBSP en uitgebreid is gesproken over alternatieven voor dierproeven. De LBSPf bereidt verder met betrokkenen een debat rond alternatieven voor dierproeven voor.

6. Veel gefokte proefdieren (in 2013 waren dat er ruim een half miljoen) worden niet gebruikt voor proefnemingen, maar voortijdig gedood omdat er geen vraag naar is, en tevens omdat een deel van de gefokte proefdieren niet de juiste genetische eigenschappen heeft om er proeven mee te doen. Hoe zit dat bij de bedrijven in het Bio Science Park?

Inzake de gegevens van het aantal proefdieren verwijzen wij u naar de jaarverslagen ‘Zodoende’ van de Voedsel- en Warenautoriteit. Voor details m.b.t. dierproeven  verwijzen we u naar de website www.nvwa.nl/onderwerpen/inspectieresultaten-dier/bestand/2207546/zo-doende-2013-jaaroverzicht-over-dierproeven-en-proefdieren

Er is geen enkele openheid over dierproeven op het Bio Science Park. De vergunninghouders van het Bio Science Park, of het Bio Science Park zelf, zouden naar onze mening de Code Openheid Dierproeven moeten ondertekenen en jaarlijks met een rapportage komen: www.knaw.nl/nl/actueel/publicaties/code-openheid-dierproeven

7. Bent u van mening dat openheid en transparantie over dierproeven belangrijk is omdat hiermee ook een plan van aanpak ontwikkeld kan worden om dierproeven terug te dringen? Bent u van plan hierover het gesprek aan te gaan met het Bio Science Park?

Het college is van mening dat openheid en transparantie over belangrijke onderwerpen als deze goed is. De Voedsel- en Warenautoriteit brengt ieder najaar het jaarverslag 'Zodoende' uit met daarin alle cijfers over proefdieren en dierproeven in Nederland (zie ook vraag 6). Ook staan hier de namen van de vergunninghouders vermeld. Het college is van mening dat daarmee openheid over dit onderwerp
wordt gegeven.

In het antwoord op vraag 5 gaven wij al aan dat wij het onderwerp alternatieven voor dierproeven al hebben aangekaart bij LBSPf.

Aan het nemen van dierproeven kleven tal van ethische bezwaren. Wij vinden het een vreemde zaak dat de commissie wel uitgebreid spreekt over een horecavergunning op de Nieuwe Rijn, maar dat de vestiging van een controversieel bedrijf als een proefdierfokkerij blijkbaar volkomen buiten het college of de raad omgaat. Wij vragen ons af of de gemeenteraad geïnformeerd zou bij worden als het gaat om andere controversiële bedrijven, zoals een bedrijf dat (onderdelen van) wapens produceert of verhandelt, kernergie-technologie ontwikkelt, of handelt in tropisch hardhout?

8. Hoe kijkt het college tegen deze kwestie aan? Is het college bereid tot een debat in de raad of de commissie hierover?

De gemeenteraad en het college kunnen alleen zinnig spreken over zaken waar de  gemeente over gaat. Voor landelijke regelgeving is het beter het debat te voeren in het parlement. Wanneer de raad een per definitie vrijblijvend debat wil voeren over dit onderwerp waar de gemeente buiten staat en waarover zij ook geen inhoudelijke kennis paraat heeft, is het collegevan mening dat dit onderwerp zich beter leent zich voor een informatief bezoek aan LBSP, gesprekken met de betrokkenen, en een debat op het LBSP.