Schrif­te­lijke Vragen Warm­tero­tonde


Op 28 april verzorgde wethouder De Wit een presentatie voor de commissie Leefbaarheid en Bereikbaarheid over de mogelijke aansluiting van Leiden op de warmterotonde. De Partij voor de Dieren heeft hier nog veel vragen over, zowel over de duurzaamheidsaspecten ervan, als over de mogelijke sociale en financiële gevolgen:

1. Is het college het met de Partij voor de Dieren eens dat fossiele brandstof nooit een duurzame bron van energie kan worden genoemd? Zo nee, waarom niet?

Antwoord: Het college is het eens met de vraagsteller dat het gebruik van fossiele brandstof voor het opwekken van energie niet als duurzaam aangemerkt kan worden

Op 25 mei werd bekend dat Heineken weigert om kolenwarmte van de nieuwe kolencentrales van Uniper en Engie op de Tweede Maasvlakte in de warmterotonde te accepteren. Dat is natuurlijk goed nieuws. Echter, andere (potentiele) leveranciers leveren ook warmte die het predikaat ‘duurzaam’ niet verdienen (zoals Shell, zie bijvoorbeeld het artikel www.ad.nl/ad/nl/1038/Rotterdam/article/detail/4306377/2016/05/24/Shell-Pernis-sluit-alsnog-aan-op-Rotterdams-warmtenet.dhtml).

2. Bent u het met de Partij voor de Dieren eens dat warmte uit dit soort industrieën niet duurzaam genoemd kan worden? Zo nee, waarom niet?

Antwoord: Het college is het niet eens met de vraagsteller dat restwarmte uit de Rotterdamse procesindustrie niet als duurzaam aangemerkt kan worden. Restwarmte is warmte die vrijkomt bij industriële processen en waar geen toepassing meer voor is. Het wordt dan ook wel fatale warmte genoemd. Deze warmte gaat veelal verloren door koeling met buitenlucht of met water (uit de Nieuwe Waterweg). Tegenwoordig wordt restwarmte steeds vaker ingezet voor het verwarmen van o.a. huizen en krijgt hiermee een duurzamere bestemming dan voorheen.

3. De huidige leverancier aan het Rotterdamse warmtenet is AVR, een afvalverbrander. Weet het college dat dit bedrijf afval importeert (onder andere uit Italië en Engeland) om voldoende ‘restwarmte’ te kunnen produceren? Is het college het met de Partij voor de Dieren eens dat het importeren van extra afval uit andere landen om dat hier te verbranden, niet als duurzaam aan te merken is? Zie www.nrc.nl/handelsblad/2012/01/28/italiaans-huisvuil-in-rotterdam-12158225

Vuilverbrander AVR ziet de geleverde warmte overigens ook helemaal niet als restproduct, maar als een commercieel hoofdproduct. Dit blijkt bijvoorbeeld uit het artikel uit het AD/Haagsche Courant van 24 mei 2016[1]: Onze warmte is absoluut niet overtollig," zegt Marjolein Boer, woordvoerder van de afvalcentrale in Rotterdam. “Warmte is ons product. Wij verkopen het, net als stoom en elektriciteit”.

Antwoord: Nee. In de tweede Kamer zijn vergelijkbare vragen gesteld. Vanuit het ministerie van Infrastructuur en Milieu is aangegeven dat in de aanloop naar een circulaire economie er nog lange tijd behoefte zal zijn aan de verbrandingscapaciteit om afvalstromen te verbranden die (nog) niet kunnen worden gerecycled. Ook wordt aangegeven dat vanuit klimaatperspectief de benutting van de restcapaciteit voor
2/8

verbranding van buitenlands restafval nuttig is. Momenteel is in veel Europese landen storten of verbranden zonder energieterugwinning namelijk nog de standaard. Verbranding van buitenlands restafval met energieterugwinning heeft dan de voorkeur vanwege vermeden stortgasemissies in het land van herkomst en vervanging van fossiele brandstof in Nederland.

Daarnaast tonen onderzoeken aan dat de extra uitstoot van broeikasgassen door transport van afval ruimschoots wordt gecompenseerd door minder uitstoot van broeikasgassen door verbranding in een energie-efficiënte AVI dan wanneer het afval wordt gestort of verbrand in een AVI die niet of nauwelijks energie produceert.

Het college wil daarnaast graag opmerken dat de AVR Rozenburg gebruik maakt van zeer efficiënte technologieën in zijn verbrandingsproces en zijn afval voornamelijk aanvoert over water (wat als duurzame manier van transport kan worden aangeduid). Een interessant feit in dit vraagstuk is zeker ook het contract wat er tussen de gemeente Leiden en de AVR Rozenburg ligt, waarbij huishoudelijk afval vanuit Leiden naar Rozenburg wordt gebracht, daar wordt verbrand en straks dus duurzame warmte produceert voor de circa 8.000 huishoudens en 200 bedrijven in Leiden.

4. Is het college het met de Partij voor de Dieren eens dat AVR hiermee vooral voor zichzelf een lucratief businessmodel heeft opgezet, maar dat dit niet zoveel met duurzaamheid te maken heeft? Zo nee, waarom niet?

Antwoord: Het college neemt geen standpunt in over het feit of een private organisatie wel of niet een lucratief business model heeft opgezet. Wel is het college van mening dat in de huidige tijd het verbranden van afval, met als gevolg het produceren van warmte wat ingezet kan worden om de gebouwde omgeving mee te verwarmen, aangeduid kan worden als duurzaam.

Optimale benutting van de warmte die vrijkomt bij afvalverbranding blijft dan dus ook wenselijk. Gelet op een mogelijke teruggang in het aanbod van afval, is het verstandig om de warmtenetten te beschermen en te zorgen voor meerdere warmtebronnen. In de Leidse Warmtevisie wordt hier aandacht aan besteed. Ook voert het Warmtebedrijf Rotterdam gesprekken met producenten van warmte uit de haven van Rotterdam, waarbij de insteek is om meerdere bronnen op het warmtenet aan te sluiten.

5. Is het college het eens met de opvatting dat de verkoop van warmte van fossiel gestookte industrie, die industrie een financiële prikkel voor het in stand houden van fossiele brandstoffen oplevert? Het is immers geen stimulans voor het verminderen van energieverbruik. Een industrie die verduurzaamt, zou de levering van restwarmte aan de warmterotonde dan zelfs in gevaar brengen.

Antwoord: Het college is het niet eens met deze opvatting. Het hergebruiken van restwarmte leidt tot afname van primair fossiel warmteverbruik. Daarnaast blijven grootverbruikers van energie onder de Wet Milieubeheer nog steeds verplicht tot het doen van energiebesparende maatregelen die zich binnen vijf jaar terugverdienen. Verder zorgt het hergebruik van warmte tot inzichten in de eigen energie / warmtehuishouding, waardoor die industrie eenvoudiger energie-efficiënte maatregelen kan ondernemen. Uit onderzoek in Zweden is gebleken dat industrie die restwarmte leveren efficiënter zijn dan bedrijven die geen warmte uitkoppelen. Verder zal de verduurzaming geen risico vormen op de levering van warmte. Er is in de haven van Rotterdam meer warmte beschikbaar en er wordt dus ook gewerkt aan het aansluiten van meerdere bronnen.

6. De warmte wordt van Rotterdam via Zoeterwoude naar Leiden getransporteerd. Bij transport van warmte over langere afstanden treedt altijd warmte/energieverlies op. Hoeveel is dat in dit geval?

Antwoord: Het temperatuurverschil bedraagt circa 2 graden Celsius. Het warmteverlies is gerelateerd aan de uitkoeling en bedraagt ordegrootte 100.000 GJ. De combinatie van traditionele stadsverwarming (Leiden e.o.) en een industriële klant (Heineken Nederland) maakt een grote uitkoeling mogelijk, waardoor het warmteverlies specifiek afneemt.

7. In Utrecht worden stadswarmtewoningen op dit moment opzettelijk minder goed geïsoleerd dan niet-stadswarmte woningen, omdat deze al via de aansluiting op de stadswarmte aan duurzaamheidscriteria voldoen. Krijgen we ook in Leiden zulke “sjoemelwoningen”? Hoe denkt het college hier controle over te houden?

Antwoord: Bij een omgevingsvergunning voor bouwen, dient in geval er wordt aangesloten op stadswarmte-infrastructuur, in de energieprestatiecoëfficiëntberekening (EPC) een waarde voor de aansluiting op de stadswarmte-infrastructuur te worden ingevoerd, zoals vastgelegd in het Bouwbesluit 2012. De prestatieverklaring voor stadswarmte, met als huidige bron de STEG-centrale aan de Langegracht, heeft een verklaring van 142,5% (wanneer deze niet is gewaardeerd wordt met een percentage van 100% gerekend). Het klopt dat een nieuw te bouwen object, wanneer deze wordt aangesloten op een stadswarmtenet met een hogere waardering dan de gebruikelijke 100%, in mindere mate voorzien moet worden van andere duurzaamheidsmaatregelen om aan de EPC-norm te voldoen. Dit betekent echter niet dat zo’n nieuw te bouwen object minder duurzaam is, de huidige bron van de Leidse stadsverwarming levert immers duurzame warmte. Het college heeft daarnaast ook een second opinion onderzoek laten doen naar de prestatieverklaring voor de warmtebron aan de Langegracht waarbij het bovengenoemde percentage is bevestigd.

8. Kunnen ook fossielvrije, lokale producenten op het warmtenet worden aangesloten? En zo ja, worden petrochemische bedrijven dan uit gefaseerd als leveranciers van warmte aan de warmterotonde?

Antwoord: Het college maakt zich binnen zijn bevoegdheden sterk voor de ontwikkeling van een open warmtenet, waar lokale gediversifieerde warmtebronnen op aangesloten kunnen worden. Een open warmtenet, waar de eindgebruiker zelf de keuze kan maken van welke warmtebron hij of zij gebruik van maakt is dan ook het ideale eindbeeld.

Binnen de huidige warmtemarkt, welke in de Warmtewet van het ministerie van Economische Zaken is vastgelegd, wordt hier nog onvoldoende aandacht aan besteed. Het college volgt de ontwikkelingen richting een nieuwe Warmtewet, welke eind van dit jaar uit zou moeten verschijnen, dan ook op de voet. Het college heeft daarnaast in Q4 2015 een brief richting de minister verstuurd, samen met een 20-tal andere organisaties, waarin onder andere gepleit wordt voor een open warmtemarkt.

Stadswarmte is er vooral voor de producenten, niet voor de consumenten. Sterker nog, vaak is er sprake van een heuse aansluitplicht op het stadswarmtenet. Huishoudens worden verplicht aangesloten op het stadswarmtenet en kunnen niet meer wisselen van warmteleverancier. Er ontstaat dus een monopolie voor de warmteleverancier. Zie bijvoorbeeld www.ad.nl/ad/nl/1039/Utrecht/article/detail/4234079/2016/01/29/Van-stadsverwarming-af-Dat-kost-de-bewoner-veel-geld.dhtml

Uit de media en de presentatie van wethouder De Wit ontstaat het beeld dat Leiden al de keuze gemaakt heeft om deel te nemen aan de warmterotonde Zuid-Holland. Er heeft echter nog geen enkele discussie in de commissie of gemeenteraad plaatsgevonden. Er is ook nog geen Warmtevisie opgesteld. De financiële aspecten zijn evenmin duidelijk.

9. Passeert het college hiermee niet de raad? Zo nee, op welke manier en wanneer vindt dan wel besluitvorming plaats over wel of niet een Leidse deelname aan de warmterotonde? Wanneer kan de raad zich uitspreken over de warmtevisie?

Antwoord: In principe is de rol van de gemeente Leiden in dit vraagstuk zeer beperkt. Nuon is verantwoordelijk voor het leveren van warmte aan huishoudens in Leiden die zijn aangesloten op het warmtenet. Dat het contract voor warmtelevering tussen Uniper, met de STEG-centrale aan de Langegracht, en Nuon op 01-01-2020 afloopt en Nuon er voor heeft gekozen om na deze datum een andere warmtebron op het Leidse warmtenet aan te sluiten is feitelijk gezien geen verantwoordelijkheid dan wel bevoegdheid van het college. Het college is echter wel content met het feit dat er hard gewerkt wordt aan de vervanging van de warmtebron en heeft dit standpunt recentelijk nog benadrukt door het ondertekenen van een ambitieverklaring voor het project ‘Warmtelevering Leidse Regio’, waar de gemeenteraad middels een brief d.d. 4 april 2016 van op de hoogte is gesteld.

Daarnaast wordt de volgende passage genoemd in het vastgestelde duurzaamheidsbeleid (Leiden Duurzaam 2030) en hiermee heeft de raad in principe al ingestemd met de lange termijn ambitie van de gemeente Leiden om de aansluiting van het Leidse warmtenet op dat van Rotterdam te realiseren:

Verduurzaming van de warmtevoorziening Naast een vergaande beperking van de warmtevraag, door energetische verbetering van woningen en andere gebouwen, worden alle voor opwekking, opslag en transport beschikbare technieken toegepast, zoals warmte-koudeopslag (WKO), winning van zonne-energie, windenergie (indien mogelijk) en diepe geothermie. Daarnaast is een groot aantal woningen en bedrijven aangesloten op het stadsverwarmingsnet, dat inmiddels deel uitmaakt van de provincie-brede Warmterotonde.

Daarnaast wordt met de onderstaande passage in ditzelfde ambitiedocument de aansluiting van het Leidse warmtenet op dat van Rotterdam aangeduid als prioriteit voor de periode 2016-2020:

"We gaan door met het faciliteren en bevorderen van de aansluiting van het Leidse stadswarmtenet op dat van Rotterdam, gericht op ingebruikname uiterlijk in 2020.

We blijven deelnemen in het in 2013 ingezette provincie-brede samenwerkingsverband, gericht op verduurzaming van de warmte- en koudevoorziening. Het streven naar een ‘warmterotonde’ in Zuid-Holland maakt hiervan deel uit. "

Het college en de raad onderstrepen, met het vaststellen van deze ambitie en prioritering, dat een robuust warmtenet, met verschillende duurzame bronnen, voor een dichtbebouwde monumentale stad als Leiden één van de manieren is om de gebouwde omgeving te verwarmen in een toekomst waar we dit niet meer met fossiele brandstoffen doen. De aansluiting van het Leidse warmtenet op dat van Rotterdam vergroot die robuustheid en borgt een toekomstbestendige stadsverwarming voor Leiden.

10. Hoe denkt het college de belangen van haar burgers te gaan beschermen (bijvoorbeeld als het gaat om prijsstijgingen, aanvragen voor ontkoppeling van het warmtenet, berekening van vastrecht).

Antwoord: Het college is zich bewust van de gevoeligheden, met als voornaamste reden de betaalbaarheid en het niet hebben van keuzevrijheid, omtrent warmtelevering via de stadsverwarming en neemt deze dan ook zeer serieus. Het gesprek met de leverancier van warmte in Leiden, Nuon, wordt continue gevoerd en het college stelt Nuon van deze gevoeligheden op de hoogte. Daarnaast is de Leidse burger die gebruik maakt van stadsverwarming beschermd door de Warmtewet, waarin o.a. het Niet-Meer-Dan-Anders principe is verwerkt. Wel is het college van mening dat de langere termijn ook in ogenschouw moet worden genomen en is stellig van mening dat het afkoppelen van een warmtenet geen stap in een duurzame richting is.

11. Is er in Leiden ook sprake van een aansluitplicht? Is er een concessieovereenkomst beschikbaar die de commissie (ter informatie) in kan zien?

Antwoord: Er zijn concessieovereenkomsten gesloten met Nuon voor warmteaansluiting en -levering in de wijken Stevenshof, Roomburg en Nieuw-Leyden. Overige aansluitingen gebeuren op basis van individuele overeenkomsten tussen partijen en Nuon. De concessieovereenkomsten tussen de gemeente Leiden en Nuon kunnen gedeeld worden met de commissie na validatie op vertrouwelijkheid met betrekking tot bedrijfsgevoelige informatie en toetsing aan de WOB.

12. Voorziet de eventuele aansluiting van Leiden op de warmterotonde in de mogelijkheid voor huishoudens om a) af te zien van aansluiting en b) op een redelijke wijze de bestaande aansluiting te beëindigen? Hoe gaat het college hierop toezien?

Antwoord: Huishoudens in de bovengenoemde concessiegebieden zijn verplicht aangesloten op het stadswarmtenet en er is dus geen mogelijkheid tot afzien van de aansluiting. Mocht een individuele klant zelf een alternatieve warmtelevering willen regelen dat voldoet aan dezelfde duurzaamheidseisen als stadsverwarming, is Nuon bereid tot overleg met deze klant. In alle overige gevallen is de klant vrij om bij einde van de contractduur de aansluiting te beëindigen. Voor afsluiting zullen voor particulieren geen kosten in rekening gebracht worden.

Financieel
Om te voorkomen dat stadswarmte-huishoudens meer betalen dan niet-stadswarmte huishoudens, is het niet-meer-dan-anders principe ingesteld. Echter, dit principe lijkt averechts te werken en zorgt ervoor dat stadswarmte huishoudens veel te veel betalen (zie bijvoorbeeld www.rtlnieuws.nl/nieuws/binnenland/consumentenorganisaties-slaan-alarm-stadswarmte-veel-te-duur).

13. Kent het college de problematiek waarbij teveel wordt berekend aan huishoudens met stadswarmte, via het hoge en stijgende vastrecht? Welke acties heeft het college ondernomen om deze perverse werking terug te draaien? Welke resultaten heeft het college daarbij geboekt? Op welke wijze wil het college voorkomen dat dit probleem ook optreedt bij de eventuele aansluiting van Leiden op de warmterotonde?

Antwoord: Op de redelijkheid van de tarieven voor stadsverwarming wordt toegezien door de ACM onder de Warmtewet. Het college heeft dus hierbij geen controlerende of corrigerende rol.

Op 19 mei 2016 verscheen het bericht in de media dat de Warmterotonde, waar ook Leiden zich aan wil verbinden, financiële problemen kent (zie www.rijnmond.nl/nieuws/142050/Miljoeneninjectie-nodig-om-Warmtenet-te-redden). De gemeente Rotterdam zit klem en draait op voor de kosten van 26 miljoen euro!

14. Op welke wijze en door wie wordt de warmterotonde gefinancierd? Wie betaalt de eventuele Leidse aansluiting op de warmterotonde? Hoe groot is de financiële bijdrage van Leiden aan het warmterotondeproject? Zou dit college, net als Rotterdam, bereid zijn om op deze manier financieel bij te springen bij de exploitatie van het warmtenet? Waarom wel/niet?

Antwoord: In de afgelopen maanden is de haalbaarheid van de warmtelevering op hoofdlijnen onderzocht, waardoor partijen elkaar gevonden hebben in een gezamenlijke ambitie. Er is gekeken naar de technische mogelijkheden en uitdagingen van het tracé. Ook is de financiële haalbaarheid onderzocht en is gekeken hoe partijen met elkaar kunnen samenwerken. Dit onderzoek gaat uitwijzen hoe de precieze verdeling van kosten voor dit project gaat vallen. Hierbij is wel duidelijk dat op dit moment de gemeente Leiden geen financiële positie gaat innemen bij het realiseren van dit project. Of het college bereid is om dit in toekomst wel te doen, of om een financiële/juridische positie in te nemen bij de exploitatie van het warmtenet is op dit moment niet aan de orde. De gemeente Leiden maakt wel kosten voor dit project middels het inzetten van ambtelijke capaciteit vanuit de lijnorganisatie. Kosten voor ambtelijke capaciteit op deelprojecten die binnen dit project worden gedaan zijn tot nu toe altijd betaald door WBR en Nuon.

15. Hoe groot schat u het risico in dat ook de gemeente Leiden, financieel moet bijspringen om een exploitatiepartner overeind te houden?

Antwoord: Het college acht de kans zeer klein dat de gemeente Leiden financieel moet bijspringen wanneer een exploitatiepartner om dreigt te vallen.

16. Welke alternatieven voor de warmterotonde heeft het college onderzocht? Hoe scoren deze alternatieven (bijvoorbeeld op duurzaamheids-, financieel en sociaal gebied) ten opzichte van stadswarmte via de warmterotonde? Is het college bereid om in duurzame alternatieven voor stadswarmte te investeren? Zo ja, hoeveel? Zo nee, waarom niet?

Antwoord: Het college heeft in samenwerking met o.a. Nuon, de Provincie Zuid Holland, regiogemeenten en de Omgevingsdienst West Holland in 2011 t/m 2013 een proces doorlopen om een geschikt alternatief voor de huidige bron van de stadsverwarming te vinden. Opties als geothermie, regionale biomassa, tempratuurverlaging en gebruik van restwarmte zijn hier mede onderzocht. De projectgroep die dit onderzoek heeft gedaan is tot de conclusie gekomen dat het gebruik van restwarmte uit de Rotterdamse Haven als meest geschikte optie is aangemerkt voor een toekomstbestendige duurzame warmtevoorziening voor 23.000 woningequivalenten in Leiden.

Het college wacht de resultaten van de Leidse Warmtevisie eerst af voordat het een uitspraak doet over het wel of niet investeren in andere duurzame alternatieven als bron voor de Leidse stadswarmte.

Gezegd moet worden dat uit landelijke onderzoeken is gebleken dat met name in stedelijk gebied een combinatie aan gebouw- en gebiedsmaatregelen het meest kostenefficiënt is. Het is economisch niet mogelijk om in stedelijk gebied de circa 90% van de huidige gebouwen die er in 2050 ook nog zullen zijn, zodanig te isoleren dat deze gebouwen energieneutraal zullen zijn. Een verduurzaming van warmte is nodig en dit kan met warmtenetten en een duurzame bron. Gezien zowel de warmtevraag als de mogelijkheden tot opslag zullen warmtenetten – met name de komende decennia - een rol kunnen spelen in de integrale energie-infrastructuur. Warmtenetten kunnen bijvoorbeeld bijdragen aan het balanceren van de disbalans in het elektriciteitsnet (door power-to-heat en opslag). Daar waar een alternatief (zoals all-electric met inzet van warmtepompen) mogelijk en goedkoper is zal geen warmtenet uitgerold moeten worden. Dit vereist dat gebouwen zeer ver geïsoleerd kunnen worden, het elektriciteitsnet voldoende capaciteit heeft of krijgt en er meer hernieuwbare elektriciteit beschikbaar komt (om ook de warmtevraag CO2-arm te kunnen bedienen).

17. Ook bewoners van de stad en de regio hebben zich kritisch betoond over de warmterotonde. Heeft het college gesproken met deze stakeholders? Hoe denkt het college deze stakeholders en zeer goed geïnformeerde burgers, te betrekken tijdens het (ontwikkelen van het) project?

www.wijkraadstevenshof.nl/?page_id=204
www.wijkroomburg.nl/wp-content/uploads/2015/04/20150413-Brief-aan-raad-over-warmtebesluit.pdf
https://stadswarmte.wordpress.com/2015/03/05/stadswarmte-duurzaam/
http://energiekpoelgeest.nl/stadsverwarming-poelgeest/

Antwoord: Ambtelijk is er goed contact met vertegenwoordigers van deze wijkverenigingen over deze vraagstukken. Zo is er op 1 juni 2016 nog een bespreking geweest, over de onderwerpen ‘Warmtelevering Leidse Regio’ en de Leidse Warmtevisie. De wijkverenigingen worden betrokken in het proces van de Warmtevisie. Dit heeft de commissie L&B ook te horen gekregen tijdens de presentatie over de Leidse Warmtevisie, d.d. 28 april 2016.

Dick de Vos, Partij voor de Dieren

[1] ‘Er is geen warmte over. Warmterotondeleveranciers zien stoom als handel, niet als restproduct’. AD/Haagsche Courant, Regio sectie Den Haag, p 2-3, 24 mei 2016.

Help mee aan een betere wereld

    Word lid Doneer